Wednesday, 1 May 2019

A historicist splinter

A small detail lifted from an article in the magazine  'Grammophone' written by a new music pianist:

"The particular type of improvised music I’m involved with as a pianist bustles with brutal busyness; nothing wrong with that, there are historical reasons why it has to be so."

At archeological sites, splinters of pottery, however insignificant for the layman, do tell a lot about how people at the site lived their lives, long ago. Especially the innocent tools as used in everyday life can explain historic periods. The splinter quoted above is one of such splinters, a thoughtless, innocent utterance which reveals so much about a mentality, a remnant from a period when modernist ideology had penetrated musical education and instructed the young about how to look at music and music history. Awareness of history is a good thing in itself if you want to understand the art form, but history never dictates. "Our heritage has been given to us without a testament", as the French poet Réné Chair said. 

History is the total result of deeds, of choices, made by humans, and circumstances, and their interactions. With hindsight patterns may be detected, but they are open to more than one interpretation. And interpretations are also the result of deeds and choices made by humans. Therefore, there is also a history of history writing. In modernist ideology however, music history is quite simple: one central line of development, where the moments of transgression and revolution are the articulation points, leaving the rest in the shadows of irrelevance. For the modernist mind, 'relevance' is a historic relevance first and foremost; any consideration of artistic value is an afterthought because it is supposed to be the result of transgression. Therefore, this narrow-minded interpretation of the concept of 'history' is the standard by which all contemporary music has to be assessed in terms of relevance. 

It should be clear that in music history, transgression of conventional limitations was the result of works of great quality, and not the other way around. C.Ph.E. Bach - the famous son of J.S. - was a radically transgressive composer, but he lacked the qualities which could have earned him a regular performance place in the current repertoire. His father however, did two things: he emulated the musical traditions of his time and transgressed them with his very personal treatment of the highest artistic quality, but leaving traditional language intact - in fact, he was quite oldfashioned in his time in comparison with contemporaries. Mozart has not transgressed any stylistic or traditional limitation of the musical language of his time but brought its various elements to an impressive synthesis, including baroque procedures which were 'old, learned music' in the 2nd half of the 18th century. Wagner wrote the ultra-transgressive 'Tristan' but afterwards the classicizing 'Meistersinger'. Etc. etc....

The destructive influence of such falsifying, quasi-academic  narrative on music life is obvious: audiences don't listen historically but aesthetically and emotionally, players study and practice emotionally and aesthetically, programs are created emotionally and aesthetically. This does not mean that music life is an unthinking affair, but that academia has no place in concert life: its place is the university. Academic research is of great importance for concert life only in sofar as it can contribute to the artistic quality of performance, as the HIP movement has convincingly shown (Historically-Informed Performance). But postwar modernist historicism is politically motivated: when, in the fifties and sixties of the last century, younger composers wanted to break with tradition and explore avenues then unheard, they needed a narrative which would break down the scepsis and resistance on the side of performers and audiences who were confronted with a new music which did away with the psychological dimension whereupon their own musical development, i.e. their education and their practical experience, was built, and which also formed the heart of the entire repertoire upon which music life was built.

This type of historicism has by now eroded almost everywhere, but remnants are still around, as the above-quoted splinter of musical pottery demonstrates. It is a wall, crumbling on all sides but being kept upright as much as possible by people who have a vested interest in the privileges it may offer. This is always happening in times of change.... but one could take courage from the famous words by Voltaire, "écrasez l'infâme".

Wednesday, 24 April 2019

NL: Rechts-extremisme contra beschaving


Naar aanleiding van nogal bizarre uitspraken van de leider van de nieuwe politieke partij 'Forum voor Democratie', stuurde ik - tegen mijn gewoonte in - onderstaand opiniestuk naar achtereenvolgens alle Nederlandse kranten (behalve De Telegraaf) en alle Nederlandse opiniebladen. Geen enkele krant, geen enkel blad, wilde het plaatsen, terwijl een opiniestuk in Trouw Christenen opriep het FvD te steunen vanwege de culturele politiek van deze partij, die traditie en religie als van groot belang had aangemerkt. Dat deze partij een nationalistische, anti-Europese, xenofobische en racistische politiek bedrijft, en haar leider Thierry Baudet graag met rechts-extremistische groeperingen relaties onderhoudt, en daar uiteraard heel populair is, wordt kennelijk niet relevant geacht. 

De organisatie 'Kafka' die onafhankelijk onderzoek doet naar fascisme in Nederland, heeft het FvD op extremisme gedocumenteerd:
https://kafka.nl/organisatie/forum-voor-democratie/ 

Het betreffende artikel in Trouw:


------------------------------------------------

Baudet begrijpt niets van de Europese beschaving

De recente ophef over de ‘overwinning’ van het Forum tegen Democratie en de ‘overwinnings-speech’ van voorman Thierry Baudet weerspiegelt de verbazing dat zoveel mensen enthousiasme kunnen opbrengen voor een charmante corpsbal met fascistoïde gedachtegoed, ingekleed met quasi-intellectuele verwijzingen en flirts met gevaarlijk rechts-extremisme. Maar het meest kwalijke van deze man is de kennelijke annexatie van begrippen als ‘de Westerse beschaving’, die het tegenovergestelde moeten toedekken. Het is Wilders in een net jasje, om een schrijnend onbegrip van de moderne samenleving iets van respectabiliteit te geven. Het blijkt echter, dat Baudet geen flauw idee heeft van wat die mooie, geweldige Westerse beschaving nu eigenlijk inhoudt, en dit verklaart zijn aantrekkingskracht voor de primitieve onderbuik van het electoraat.


De Westerse beschaving is geboren in Europa, met lange wortels in de Oudheid en het Christendom. In de 18e eeuw wilde de samenleving zich emanciperen van de dominantie van de religie, en de Verlichtingsidealen schiepen de basis van de moderne wereld met haar universele mensenrechten, gelijkheid voor de wet, en representatieve democratie. De waarden van de Verlichting zijn universeel, niet gebonden aan lokatie of cultuur, en daarom geschikt om ook wortel te schieten in niet-Westerse landen, omdat ze beantwoorden aan universele behoeften van de menselijke soort. Maar tegelijkertijd zijn deze waarden abstract: ze appeleren eerder aan het verstand dan aan emotionele behoeften zoals de behoefte aan geborgenheid en opgenomen te zijn in een gemeenschap met een gedeelde cultuur (cultuur in de zin van gebruiken en gewoonten). De Verlichting heeft dan ook direct kritiek gekregen, met name door de Duitse filosoof Johann Gotfried von Herder, die wees op de unieke identiteit en gelijkwaardigheid van de verschillende culturen en volkeren in de wereld. 

In de ideeëngeschiedenis van de 19e en 20e eeuw wordt zichtbaar dat de Westerse beschaving zich op twee verschillende niveau’s beweegt: 1) een overkoepelend framework van universele waarden zoals de mensenrechten, de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting etc., en 2) de cultuur in de zin van hoe mensen die waarden in de praktijk realiseren en hoe ze hun leven invullen in termen van gewoonten en handelingen. Kort samengevat: de Verlichting en de emotioneel-getinte kritische reactie daarop. De ‘bovenste’, universele laag spreekt het verstand aan, is tamelijk abstract en intellectueel, de ‘onderste’ laag is het niveau van de praktijk en reflecteert de emotionele behoeften van de mens. Hoewel deze twee niveau’s gedeeltelijk kunnen overlappen, hebben ze wel degelijk verschillende betekenis. Zo wordt bijvoorbeeld de abstracte kwaliteit van de universele waarden duidelijk in de vervreemding van het individu in de moderne megasteden waar zoveel verschillende mensen met verschillende achtergronden samenleven, en de emotionele nood van het gebrek aan gemeenschap vertaald in de opstand van de ‘gele vestjes’ in Frankrijk, de werkende onderklasse die zich in steeds groter isolement en armoede ziet verkeren.


Het overkoepelende niveau van de universele beschavingswaarden is de enig mogelijke context waarbinnen mensen met grote culturele verschillen in vrede kunnen samenleven. Maar onder deze paraplu van mensenrechten en beschavingswaarden zijn de mensen vrij hun eigen leven volgens wat voor waarden dan ook, te kunnen invullen, met het voorbehoud dat deze nooit de universele waarden van het overkoepelende ‘framework’ mogen aantasten. De overkoepelende structuur heeft dus altijd voorrang boven de culturele behoeften, die zich eraan moeten aanpassen. Deze hierarchie is de enige veiligheidsgarantie voor een vreedzame samenleving. Problemen die onder de ‘paraplu’ ontstaan, kunnen dus ook alleen maar opgelost worden met inachtneming van de voor iedereen geldende normen.


Baudet heeft geen flauw idee van deze context, verwart de twee niveau’s voortdurend, en denkt dat de stagnatie in de politiek en de problemen in de Nederlandse samenleving gewoon het resultaat zijn van links denken en modernisme gedurende vele decennia. Op de onzinnigheden van zijn uitspraken en ideeën hoeven we hier niet in te gaan, en ook niet op de problemen van een samenleving die duidelijk nog niet ‘af’ is: het opborrelende populisme in het Westen is het protest tegen een eenzijdige universalistische beschaving (Verlichting) door een belangrijke maar verwaarloosde menselijke behoefte (cultuur).


Een beschaving (de overkoepelende waardenstructuur) kan door iedereen worden begrepen en omarmd, geheel onafhankelijk van achtergrond, ethniciteit, en cultuur, omdat zij inderdaad universeel is. Onder deze paraplu kunnen verschillende culturen zonder probleem samenleven. De prestatie van de Westerse beschaving is nu juist, dat een dubbele identiteit mogelijk blijkt: je kunt tegelijkertijd Europeaan zijn en moslim-immigrant, of Westerling zijn en leven als een Chinees, Pakistaan of Malinees, met grote verschillen in de manier waarop het leven wordt ingevuld. De belgische filosoof Mark Heirman heeft deze dubbele laag van de Westerse beschaving al aangestipt in een artikel in de Volkskrant:




Het is buitengewoon ergerlijk dat een type als Baudet met allerlei beweringen en referenties komt aanzetten over de Westerse beschaving terwijl hij precies hetgene wat die beschaving terecht verwerpt, als haar ideaal presenteert.