About Me

My photo
Education: Rotterdam Conservatory, Cambridge University // Activities: composition, writing

Thursday, 6 July 2023

Progressive? Conservative?

 In the culture wars concerning modernity and tradition, concepts like 'modern', 'tradition', 'conservative', 'progressive', 'value' and so forth, appear to have different meanings in different contexts, with the result that meaning is often blurred by political motivations in the background. In fact, their meaning is shifting all the time, and thus become tools for other meanings which are different from their origins.

Tradition: simply the sum of successful solutions to problems of aesthetics, practices, value. 'Our heritage has come down to us without a testament' (René Char), which means: we should never stop being critical of what we have inherited of our civilisation. This critical stance is the motor of development and keeps traditions alive and accessible.

Progress: anything which means an improvement. This is entirely dependent upon context.

Modern: that which is contemporary, which is 'now'. It is a historical category and has no meaning as to value.

Modernism: the ideology which has, in the last century, created a world view which is very different from most of the past, and in which technology, science and progressiveness for its own sake have taken priority over humanist values as were developed since the Renaissance. It is a prescriptive ideology (hence its nature as 'ideology') and often not open to critique, which is discarded as 'conservative'. But attempts to recapture successful solutions to problems, which have been discarded because of not fitting within a modernist world view, can be progressive in terms of improvement, when a civilisation has developed towards extremes which undermine its capacities for development. With conservatism in the sense of wanting to freeze historic moments, it has nothing to do. Nothing has done classical music more damage than the misunderstanding that this art form is a 'conservative' one.

The well-known architect and theorist Léon Krier has formulated the important distinction between 'modern' and 'modernism' as follows:

I use the terms Traditional and Tradition in contradistinction to Modernist and Modernism; not in contradistinction to Modernity.

At present, artists, historians, critics and the public endemically confuse the terms modern and modernist. This is absolutely central.

Modern merely indicates time and period, whereas modernist has unequivocal ideological connotations. When historians write of "The Modern Movement" they clearly mean "The Modernist Movements" as opposed to "Traditional Movements". Traditional and modern; tradition and modernity, are therefore not contradictory notions. One can be a modern person of tradition.

Traditional (artisan) cultures are concerned with the production of OBJECTS for long-term USE. Modernist (industrial) cultures by contrast are concerned with the production of OBJECTS for short-term CONSUMPTION. These produce very different worlds for us to inherit or to live in.

In such antagonistic or complementary philosophies, INVENTION, INNOVATION, and DISCOVERY have a different status and meaning. There is, of course, the claim that in a traditional culture you can't have innovation. But this statement is simply not true; it's mere slander.

In traditional cultures, INVENTION, INNOVATION, and DISCOVERY are a means to improve handed-down and time-honored systems of thinking, planning, building, representation, communication, etc. ... in the Arts, philosophy, town-building, language, sciences, industries, agriculture, etc. They are a means to an end, namely to conceive, realize and maintain a solid, lasting, comfortable and beautiful human world. That is the goal.

Fundamental aesthetic and ethical principles are considered to be of universal value, transcending time and space, climates and civilizations. This is where the controversy lies.

In traditional cultures, industrial rationale and methods are in a subservient role. They are subordinate to larger themes, to larger concerns.

In modernist cultures, INVENTION, INNOVATION, and DISCOVERY are ends in themselves. It is claimed that constantly changing socio-economic and political conditions necessarily revolutionize all concepts. It is further claimed that there are no universal ethical and aesthetic categories, and hence traditional values are but accumulations of life-impending and regressive straight jackets.

In modernist cultures industrial rationale and methods tend towards dominating all aspects of life; education, culture, recreation, all polity and politic.

(From a ‘Statement’ prepared for the Skidmore, Owings & Merrill Architectural Institute. Published in Architectural Design, volume 57 (1987), January/February pages 38-43. Revised portions included in: "Eisenman versus Krier", Architectural Design, volume 59 (1989), September/October pages 7-18.)

Only if notions like modernity, modernism, progress and tradition are understood in their original and true meaning, can a vision be developed which offers a perspective on improvement: the only serious meaning of progress.


Wednesday, 5 July 2023

Nederlands: Wetenschap heeft grotendeels gelijk

Naar aanleiding van een ongewoon opiniestuk in Trouw, werd onderstaande reactie aan die krant aangeboden, die het weigerde; vervolgens aangeboden aan de NRC en het Parool die het eveneens weigerden.

-------------------------------------------------

Wetenschap heeft grotendeels gelijk

In Dagblad Trouw verscheen op 27/6 een alarmerend opiniestuk: ‘Wetenschap moet kritisch blijven’, over de dreiging van politisering van de universiteit, waarbij in het maatschappelijke debat wetenschappelijke uitkomsten als geloofsdogma worden gezien.

Het idee dat ‘de wetenschap heeft gesproken’ over zaken als corona, klimaat en kolonialisme belemmert de academische vrijheid, waarschuwen vijf academici van Docentencollectief.” Dit suggereert dat academische vrijheid en wetenschappelijke consensus aan elkaar tegenstrijdig zouden zijn.

Het artikel zoomt in op een subtiele nuance m.b.t. consensussen, waarbij de vraag rijst of zo’n benadering niet juist de twijfel aan de realiteitswaarde van de wetenschappelijke uitkomsten voedt.

Wanneer wordt een wetenschappelijke uitkomst, die steeds weer proefondervindelijk wordt bevestigd, een ‘geloofsartikel’, m.a.w. een kwestie van geloof (in de zin van: religie) en niet van de observatie en vaststelling van een concrete realiteit?

Wordt de wet van de zwaartekracht zoals door Newton geformuleerd en sindsdien als een feit geaccepteerd en bevestigd, ondermijnd door de recente ontdekkingen m.b.t. variaties van de zwaartekracht op kosmische schaal? Dat is een aanvulling van de realiteit, en niet een ontkrachting van de wet van de zwaartekracht.

“Aan de Nederlandse universiteiten gelden deze vijf stellingnames steeds minder als te bekritiseren ­wetenschappelijke hypothesen. Ze worden meer en meer beschouwd als rotsvaste geloofswaarheden.” Welke zijn die?

Klimaat. De mens is door de verbranding van fossiele brandstoffen hoofdverantwoordelijk voor een uiterst gevaarlijke opwarming van de aarde en heeft de mogelijkheid en de morele plicht deze opwarming te beperken.

Corona. Het coronavirus was aanvankelijk een zeer dodelijk, ­pandemisch virus dat op effectieve en veilige wijze is bestreden door contactbeperkende maatregelen en door de massale toediening van mRNA-vaccins.

Gender. Genderdiversiteit is een zeer belangrijke, intrinsieke waarde die actief moet worden bevorderd.

Kolonialisme. Westerse landen moeten rekenschap afleggen voor het feit dat zij hun welvaart deels danken aan de door racisme en su­perioriteitsdenken gedreven uitbuiting van voormalige koloniën.

Supranationale organisaties. De EU, VN, NAVO, WHO het IMF et cetera bieden bescherming tegen het gevaar van nationalisme en ze zijn onmisbaar voor het verbreiden van vrede en welvaart in de wereld.

Deze ‘ideologische opvattingen’ zijn geen ideologie maar gewoon de breed geaccepteerde wetenschappelijke consensus, en een feitelijkheid die we kunnen vertrouwen. Wie dat niet kan accepteren, valt in de categorie van: ‘Ik weet dat u gelijk heeft, ik geloof het alleen niet’.

Door zulke vormen van consensus zó voor te stellen, worden dan feitelijkheden niet ondermijnd? Zo van: we weten dat de zwaartekracht zus en zo werkt, maar we moeten daar kritisch over blijven, want het kan evenzogoed later weer blijken dat Newton ongelijk had, we moeten het niet als een geloofsartikel zien.

Er is niks mis met het aannemen, in de kern, en in grote lijnen, van de geciteerde ‘rotsvaste geloofswaarheden’: het zijn geen geloofsartikelen maar door evidence ondersteunde wetenschappelijke uitkomsten. Om zulke uitkomsten neer te zetten als een kwestie van geloof, lijkt het juist alsof de geloofwaardigheid van de wetenschap als geheel wordt ondermijnd. De grote aantallen mensen in Nederland die geen oog hebben voor nuances en overal vol op het gas gaan om ‘tegenstanders’ te cancellen, zwart te maken, politieke grieven te projecteren op neutrale onderwerpen (zoals wetenschap en de universiteit), krijgen door zo’n artikel iets als de ‘blijde boodschap’ in de schoot geworpen.

Er is veel aan te merken op ‘de wetenschap’ waar die dogmatisch wordt, omdat die een gebied is van interne beweging en ontwikkeling. Maar als brede consensussen in de wetenschap, die niet meer speculatief zijn maar door evidence worden ondersteund, ‘ideologie’ worden genoemd, wordt het doel van genoemde academici – depolitisering van de universiteit / wetenschap – niet duidelijker maar onduidelijker. Zelfs als zou blijken dat de klimaatopwarming niet helemaal door de mensheid is veroorzaakt, doet dat niets af aan de bittere noodzaak tot grondige en drastische verandering van de moderne wereld in al haar geledingen en met name, in haar technologie. Door zoïets weg te zetten als ideologie, wordt zo’n noodzaak ondermijnd en draagt daarmee bij aan het probleem.

Tuesday, 27 June 2023

Nederlands: misverstanden over 'herkenbaarheid'

 Op 20 juni '23 verscheen in de NRC een artikel van de schrijver Jan Nieuwenhuis, waarin beweerd werd dat nieuwe muziek die herkenbare elementen bevat, slechts imitatie kan zijn:

"Muziek die bijzonder is, is per definitie ongewoon, omdat ze afwijkt van muziek die we al kennen. Een prijs geven aan een compositie die aanspreekt, juist omdat ze herkenbaar is door het gebruik van bestaande muziekgenres, slaat de plank mis. De muziek waar deze prijs zich op beweert te richten, opent altijd een onbekende wereld. Of je je daar thuis voelt is een ander verhaal. Herkenbaarheid van muziek, dus imitatie, kan geen graadmeter zijn voor een prijs die muziek bevordert die daarvan afwijkt."

Het probleem van het onderscheid tussen de taal en dat wat met die taal op welke manier gezegd wordt.

'Het gebruik van bestaande muziekgenres' slaat de plank mis - waarmee gesuggereerd wordt dat goede muziek geen gebruik van muziekgenres maakt. Wat wordt hiermee bedoeld? Het is onzin. Muziekgenres bestaan als taalvormen met een vocabulaire, een grammatica, een bepaalde interne dynamiek, een traditie, kortom: een 'tool box' waar iedere componist met talent spullen uit kan nemen naar gelang hij die geschikt vindt voor zijn eigen visie. 

Het artikel bevat zóveel onzinnigheden, en dat in een nationale kwaliteitskrant, dat een weerwoord noodzakelijk leek:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/06/25/hedendaagse-muziek-kan-heel-goed-herkenbaar-zijn-en-origineel-a4168132

---------------------------------------------------

 De tekst bevindt zich achter een paywall. Hieronder volgt het complete artikel:

‘Nieuwe muziek kan pas betekenisvol zijn als die zich niets aantrekt van de luisteraar? Dat is onzin.’

Moderne muziek Het idee dat herkenbaarheid in nieuwe muziek automatisch leidt tot imitatie, is een vergissing. Er is daardoor in Nederland gigantisch veel onzin gesubsidieerd als ‘vernieuwing’, meent .

Nieuwe muziek kan pas betekenisvol zijn als die zich niets aantrekt van de luisteraar. Althans dat beweerde Jan Nieuwenhuis in NRC (Waarom zou hedendaagse muziek ‘toegankelijk’ moeten zijn?, 20/6). Maar dat is onzin.

De zogenaamde ‘ontoegankelijkheid’ van ‘moderne muziek’ is een wijdverbreid gegeven in de gehele vorige eeuw. Ontoegankelijk voor wie? Voor wat dan genoemd wordt het ‘reguliere muziekpubliek’, dat gewend is aan de muziek van het gevestigde repertoire. Nieuwe werken van bijvoorbeeld R. Strauss, Debussy, Stravinsky, Bartok, Prokofiev werden vaak bij de eerste uitvoeringen met bevreemding ontvangen, maar verwierven daarna al snel een plekje in datzelfde repertoire waartegen deze werken zich aanvankelijk leken af te zetten. En dit ondanks de vaak zeer grote verschillen in stijl, expressie en bedoelingen met betrekking tot dat repertoire. Het begrip ‘toegankelijkheid’ is dus geen simpele zaak en onderhevig aan historische situaties en individuele esthetiek.

Luisteraar

Volgens Nieuwenhuis kan herkenbaarheid alleen maar imitatie zijn, en de Matthijs Vermeulenprijs onwaardig, omdat Vermeulen nooit consessies deed aan herkenbaarheid of de smaak van het publiek. Nu is een eigenschap van goede muziek dat die een brug kan slaan naar de luisteraar, die geacht wordt een onderdeel te zijn van de muziekcultuur, die bestaat uit drie partijen: de componist, de uitvoerder en de luisteraar. De balans tussen die partijen is een fragiele, omdat de parameters nooit vastliggen en onderhevig zijn aan vele verschillende invloeden.

Alle componisten van wat nu het ‘reguliere repertoire’ is, hadden de luisteraar in gedachten, niet om aan zijn of haar veronderstelde smaak te appelleren, maar om hun innerlijke muzikale visie te delen.

Dit betekende dat ‘herkenbaarheid’, ook bij de meest individuele en eigenzinnige componisten, voor de fundamentele dynamiek van de kunstvorm zélf gold, zonder welke een overdracht van muziek niet mogelijk is: de interne dynamiek die expressie mogelijk maakt.

Dit verklaart de curieuze combinatie van afwijking van conventie qua stijl met de herkenbaarheid van interne dynamiek, die de muziek kenmerkt van Bach, Mozart en Beethoven tot aan Mahler, Debussy en nog vele 20ste-eeuwse componisten, die leerden van het bestaande repertoire. Niemand schreef voor de studeerkamer, iedereen schreef voor het publiek, wat voor publiek dan ook. Desnoods een toekomstig publiek.

Vooruitgang: ingeblikte uitwerpselen, zoemende draaitollen als muziek

In de vorige eeuw ontstond echter een beweging, in het kielzog van verkeerd begrepen interne dynamiek door de componist Arnold Schönberg, die zich tegen het bestaande repertoire keerde en ‘vernieuwing’ zocht in het verkennen van mogelijkheden zonder enige consideratie met de bestaande muziekcultuur, of met ‘het verleden’ (wat als niet langer relevant werd gezien), en al helemaal niet met de in de werkelijkheid bestaande luisteraar. Hooguit dachten de ‘progressieve’ componisten aan een toekomstig publiek dat net zo ver vooruit zou denken en luisteren als zijzelf. Het was de ideologie van de ‘vooruitgang in de kunst’ waaraan we de doorgezaagde lijken op sterk water, ingeblikte uitwerpselen en zoemende draaitollen als muziek te danken hebben, en een gigantische hoeveelheid onzin die in Nederland uitbundig werd gefinancierd door het Fonds Podiumkunsten, onder het mom van ‘vernieuwing’.

Onderontwikkeld publiek

Nu dat allemaal steeds meer als volkomen gedateerd en irrelevant wordt ervaren, proberen componisten – en dus ook het Fonds Podiumkunsten en de juryleden van de Vermeulenprijs – de publieksinteresse terug te halen door concessies te doen aan de smaak van een onderontwikkeld publiek – dat wil zeggen: niet het reguliere klassieke publiek.

Matthijs Vermeulen was een slechte componist, niet omdat hij wel of geen concessies deed, maar door een gebrek aan talent, wat iedere enigszins geschoolde musicus direct opvalt: veel opwinding, maar geen gevoel voor het medium orkest; zijn polyfonie is een modderige ongekookte soep; zijn ‘boodschap’ een machteloos, drammerig geschreeuw. Maar omdat hij zo ‘progressief’ was, werd hij in Nederland een soort symbool van een componist die zijn tijd vooruit was – het belegen Beethovencomplex: de koe is een dier dus elk dier is een koe.

Maar hoe moeten we nu herkenbaarheid, vernieuwing, originaliteit bekijken als nieuwe muziek zo vervlakt en tot goedkope kitsch vervalt? Hoe kan een organisatie als het Fonds Podiumkunsten nu bijdragen aan de nieuwe muziek? In ieder geval niet met de bestaande invulling van begrippen, die erg oppervlakkig is en een gebrek aan kennis van de muziekcultuur laat zien. Hedendaagse componisten kunnen heel goed zowel herkenbaar zijn als origineel werk leveren, met andere woorden: muziek die in die vorm nog niet bestond maar die een regulier publiek wel degelijk kan aanspreken. Ik noem maar enkele voorbeelden: David Matthews en James Francis Brown in het Verenigd Koninkrijk; Nicolas Bacri en Guillaume Connesson in Frankrijk; Paul Moravec, Bright Sheng en Reza Vali in de Verenigde Staten. Allemaal nieuwe muziek die succes heeft in een normale reguliere concert-setting, muziek die het publiek aanspreekt, en tegelijkertijd een duidelijk-persoonlijke signatuur laat horen en vaak behoorlijk complex is.